Feb 28

CPAC 2015

De afgelopen dagen vond in de VS het grote ‘CPAC’ forum plaats. Een jaarlijkse nationale bijeenkomst van alle relevante (en soms iets minder relevante) conservatieve krachten in de VS. Een geoliede machine, waar we aan deze kant van de oceaan enkel van kunnen dromen. Ook al bestaan er inhoudelijke verschillen tussen de sprekers en aanwezigen, er heerst wel een gedeeld besef dat ze allen deel uitmaken van één grote beweging en (politieke) overtuiging.

Maken we de vergelijking met Vlaanderen, dan kan de enige conclusie zijn dat we ver verwijderd zijn van een conservatieve meerderheid. De politiek correcte progressieve consensus zet de agenda. De beperkte conservatieve krachten die er zijn hebben geen antwoord klaar en voeren een verdeelde strijd. Een Vlaamse versie van CPAC is voorlopig niet levensvatbaar.

De komende dagen post ik een aantal sterke speeches en conclusies van CPAC. In afwachting daarvan alvast een interessant artikel van het online magazine National Review over de speeches van de Republikeinse kandidaten voor het presidentschap;

http://www.nationalreview.com/article/414597/walker-rubio-shine-rich-lowry

Hou die Scott Walker maar in het oog. Voor zijn palmares tot nu toe kan je enkel respect hebben. Benieuwd of hij even sterk doorstoot naar de Republikeinse nominatie.

Feb 21

For the love of Syriza

Binnen de eurogroep is Syriza kop van jut. Ze staan quasi geïsoleerd met eisen voor meer flexibiliteit, meer Keynes en minder besparingen. De vraag aan Griekenland om water bij de wijn te doen, compromissen te vormen, klinkt steeds luider en dwingender.

Daarmee lijkt de EU lijkt steeds meer een België in het groot. Verkiezingen gewonnen? Straf, goed zo. Maar de prijs die je daarvoor moet betalen, de ‘compromisbereidheid’, komt aan als een mokerslag. Binnen de EU is het niet anders. Een beleid dat constant schommelt rond het centrum, en onverstoorbaar verder raast. Wie zichzelf buiten het dogma plaatst, kan maar beter zeer omzichtig te werk gaan.

Moet de Eurogroep dan toegeven aan Syriza, en de besparingseisen afzwakken? Verre van. Syriza heeft enkel een democratisch mandaat in Griekenland, niet in de andere 18 lidstaten van de muntunie. De keuze is aan Syriza en de Grieken zelf. Blijven ze aanmodderen in compromisbereidheid, of kiezen ze ervoor het radicale verkiezingsprogramma uit te voeren? Syriza heeft het mandaat voor een radicaal beleid. Het heeft geen mandaat om dat beleid aan de andere 18 lidstaten op te leggen..

Het Europese beleid zal er steeds een zijn van enerzijds-anderzijds; van compromissen, wheelen en dealen. De verschillen tussen de lidstaten zijn te groot om een duidelijke linkse of rechtse koers te varen. Duidelijke keuzes vragen, is minstens een aantal lidstaten vragen om soevereiniteit en democratische legitimiteit op te geven. Politiek verdedigbaar, maar intellectueel en moreel onaanvaardbaar. Net daarom is de EU uitermate geschikt en noodzakelijk voor het uitvoeren van de grootste gemene deler tussen de lidstaten. Keerzijde daarvan is dat vernieuwing, gedurfde ideeën, daadkrachtige visie en duidelijke keuzes enkel mogelijk zijn vanuit de lidstaten. De EU is per definitie middelmatigheid, alles daar voorbij is een verlies van democratische legitimiteit.

Nu, hoe past de euro – en het beleid dat noodzakelijk is voor een gedeelde muntzone – in die analyse? Veel zal afhangen van de manier waarop Syriza deze analyse maakt. Wat is hun het meest kostbaar: het democratisch draagvlak van de muntunie, of het democratische mandaat van de Griekse bevolking? We zijn ver gekomen als een nationale overheid dit moet beschouwen als een moeilijk vraagstuk.

Apr 25

Debatseizoen, de jongerenversie.

Het ‘debatseizoen’ is volop aan de gang. Elke avond is er wel ergens een politiek debat, al dan niet met livestreaming. Kopstukken gaan in de clinch gaan, cijfers vliegen heen en weer. Voornaamste vaststelling? Steeds opnieuw diezelfde debatfiches worden voorgedragen. Zo is de lol er snel af. Bovendien is de moderator vaak niet snedig genoeg om tot de essentie door te dringen.

Gisteren was daarop een uitzondering. Geen debat met nationale kopstukken, wel een debat over armoede en welzijn met jonge kandidaten die wat lager op de lijst staan. Niemand van het panel met een afgeborstelde stijl die is opgedragen door een mediatrainer. Een verademing. Aanwezig: PVDA, sp.a, Open VLD en N-VA.

De standpunten hadden een ideologisch sausje, zei het op een niet-voldragen en spontane manier. Wat geeft zoiets inhoudelijk? Vooral enkele ideologische vraagstukken voor sp.a en Open VLD, zo blijkt.

1. sp.a weet geen blijf met de economische en ethische positionering van PVDA. De verwerping van ‘Het Kapitalisme’ gaat bij de communisten samen met aan volledig alternatief waardenverhaal. Wat is het goede leven? Wat is economische groei en waartoe dient het? Als links verhaal heeft PVDA meer potentieel van sp.a. Welke richting gaat die laatste uitgaan? Werken ze naar een hergroepering, of klampen ze zich vast aan het paarse ideaalbeeld?

2. Eenzelfde opmerking kan gelden voor Open VLD. Paars of rechts? Bont of blauw? Werkt Open VLD op zijn beurt naar een (her)groepering op rechts, of gokken ze op een links-liberaal verbond met sp.a en groen? Op het debat gisteren zwalpte het in alle richtingen. Dat zijn we ondertussen gewoon van Open VLD. De vraag is of ze tot 25 mei kunnen wachten om keuzes te maken. Gokken ze dat centrum-rechts met CD&V en N-VA te beperkt is, en zien ze – vooral in de Belgische context – meer kansen in een paars front? Of sluiten ze zich aan bij een groeiende centrum-rechtse consensus in Vlaanderen, goed wetende dat dit heibel betekent op Belgisch niveau?

3. Als sp.a de bocht naar links maakt, zal Open VLD niet anders kunnen dan op zijn beurt de bocht maken naar rechts. Trekt die logica door, en dan blijkt dat de keuzes van sp.a van groot belang kunnen zijn voor de kans op slagen van N-VA om een centrum-rechts front te vormen. De troepen van Bruno Tobback zijn dan toch relevant voor deze verkiezingen. Wie had dat kunnen denken.

Mrt 07

De legislatuureconomie van CD&V

Hoewel het sociaal-economische #3Dplan van CD&V al veel kritiek heeft gekregen (bv. hier en hier), blijven een aantal zwakke punten onderbelicht. De structurele inspanningen zijn onvoldoende om op lange termijn de vergrijzingskost betaalbaar te houden.

Professor Peersman (UGent) heeft het al zeer scherp gesteld: het economische plan van CD&V voorziet geen structureel overschot vanaf 2016, en wijkt daarmee sterk af van wat de Europese Commissie vraagt.

Nu zou je dit kunnen zien als een (mogelijk) conflict tussen België en de EU. Want ach, de EU vraagt zoveel mijnheer. We doen wat meer hier, wat minder daar en uiteindelijk zal de EU wel instemmen. Correct? Mogelijk. Maar dat gaat voorbij aan de essentie: een structureel overschot – liefst al vanaf 2016 – heeft tot doel op lange termijn de overheidsfinanciën gezond te maken.

Laat het net daar zijn dat CD&V zichzelf in de problemen werkt. Bij élke berekening geeft men aan wat de kost of opbrengst is in 2019. Ook voor het overzicht van besparingen en uitgaven, waarvan ze zelf zo graag stellen dat het tot in de details is nagerekend, gaat het telkens over de periode 2014-2019.

Dat is een fout uitgangspunt. Zelfs als alle berekeningen kloppen – waar velen vraagtekens bij plaatsen – is het #3Dplan geen duurzaam alternatief. De structurele inspanningen dienen niet om in 2019 de rekeningen te doen kloppen. Het effect speelt door op lang termijn, vanaf 2016 overschotten creëren moet helpen om de vergrijzingskost te dragen. Die vergrijzing weegt pas echt op de uitgaven vanaf 2020-2025 en bereiken een piek in 2040-2050.

In 2019 netjes op een evenwicht uitkomen is niet bijster moeilijk. Maar dat betekent wel dat we bij de echte start van de vergrijzing ook op nul moeten beginnen. Een grafiek maakt veel duidelijk.

grafiek - SCvV - sociale uitkeringen

 (Projectie verloop v/d sociale uitkeringen bij ongewijzigd beleid – in % bbp)

Dit is een grafiek van de Studiecommissie voor de vergrijzing (SCvV), opgenomen in jet Jaarverslag 2013 van de Nationale Bank.

Het economische plan van CD&V heeft de volgende horizon:

grafiek - SCvV - sociale uitkeringen - met 3Dplan

 (Projectie verloop v/d sociale uitkeringen bij ongewijzigd beleid – in % bbp)

Dat plaatst het in perspectief. Zonder structureel overschot in de komende jaren, zal het onmogelijk zijn de enorme vergrijzingskosten vanaf 2020 voor te bereiden. Je zou het een kwestie van rentmeesterschap kunnen noemen.

Naast bovenstaande grafiek, kunnen we het #3Dplan ook relativeren door letterlijk te citeren uit het jaarverslag 2013 van de Nationale Bank:

“Om ook in de toekomst de sociale uitkeringen en de andere uitgaven te kunnen financieren zonder een bovenmatige fiscale druk te moeten uitoefenen, is het derhalve aangeraden de in het stabiliteitsprogramma van april 2013 vastgelegde doelstellingen te bereiken en op middellange termijn een structureel overschot van 0,75% bbp te boeken. Gelet op, enerzijds, de talrijke onzekerheden rond de raming van de aan de vergrijzing verbonden budgettaire kosten en, anderzijds, de overige behoeften op lange termijn, zou het raadzaam zijn dit beoogde overschot als minimum te beschouwen.”

Jawel: “als minimum te beschouwen”. Wat de Nationale Bank zou denken van het volledig schrappen van het overschot laat zich raden.

Het plan van CD&V is volledig gebouwd op berekeningen die exact één legislatuur meegaan. Daarmee verwerpt men de analyse dat de komende jaren de laatste kans is om de vergrijzing voor te bereiden, de laatste kans om structureel orde op zaken te zetten. Au reste, après nous, le Déluge.

 

Feb 24

De instant-cultuur

In dit artikel volgt, hou u vast, een koppeling van Johan Braeckman aan de Amerikaanse conservatieve beweging, met tussendoor een korte bedenking bij de Belgische politiek.

New York Times, 23 februari 2014

De Old Grey Lady brengt een artikel waarin wordt beschreven hoe de beruchte Amerikaanse denktank ‘Heritage Foundation‘ steeds meer verschuift van fundamenteel denkwerk en diepgaande analyses naar snel politiek gewin en een afgeborstelde marketing-stijl. Daarmee verliest het conservatieve baken niet enkel een pak gerespecteerde onderzoekers, maar ook een stuk geloofwaardigheid.

De Standaard, 22 februari 2014

‘Je kunt niet én Kant lezen én je e-mail bijhouden’. Met die grote kop brengt DS het nieuws dat filosoof Johan Braeckman (UGent) een jaar onbetaald verlof neemt. Kwestie van tijd te hebben om… zich met filosofie bezig te houden. Enkele kortstondige vreugdekreten stijgen op bij de laatste fenomenologen aan de UGent, die eindelijk kans zien om het oppervlakkige denken van de neo-positivisten vakkundig aan de kant te schuiven.

Maar we wijken af. Punt is dat het blijkbaar schier onmogelijk is geworden vandaag de dag in alle rust iets te overdenken. Als het in de academische wereld niet langer mogelijk is, waar dan nog wel? In dit zin is (was?) een denktank als Heritage Foundation verrijkend. De politiek, zowat de laatste plaats die men tegenwoordig associeert met fundamenteel denken, krijgt op die manier toch een zekere onderbouwde, ideologisch gestoelde inbreng. Maar ook daar stapelen de signalen zich op dat de laatste weerstand tegen oppervlakkigheid en turbo-denken het begeeft.

Tot zover de link tussen Braeckman en de Amerikaanse conservatieven. Nu die dekselse Belgische politiek nog.

Een drastische stap zoals professor Braeckman die zet, moet een wake-up call zijn. Voor wie? Voor iedereen die zich geroepen voelt. Maar – belofte maakt schuld – laten we het vooral een signaal noemen voor de Belgische politiek. Daar is de druk, snelheid en oppervlakkigheid zo mogelijk nog dramatischer. Het lijkt zelfs zo ver gevorderd dat we ‘politiek’ niet langer associëren met ‘denken’. Welke politicus kan naar waarheid zeggen dat hij het afgelopen jaar een filosofisch werk heeft gelezen? Welke politicus durft stellen dat hij rustig de tijd heeft genomen om enkele dagen grondig te studeren vooraleer een nieuw (wets)voorstel te doen?

We hebben bij ons – jammer genoeg – geen traditie van denktanken. En bij het beperkt aantal denktanken dat we wel hebben gebeurt te weinig grensverleggend werk. Dat maakt de verantwoordelijkheid voor onze politici om zelf te graven naar ideologische wortels eens zo groot. Of ze daarin slagen, laat ik in het midden. Maar het lijkt mij niet verkeerd te stellen dat politici het slachtoffer zijn van de instant-cultuur die ze zelf mee hebben vorm gegeven.

Okt 30

Het pragmatische model van N-VA voor Europa

In een eerste reactie op de congresteksten van N-VA stelt professor Marc Hooghe dat N-VA ‘onvoldoende rekening houdt met het Europees recht’. Daarmee gat hij toch iets te kort door de bocht.

[zie hier voor de volledige teksten van N-VA]

Hooghe reageerde zeer snel, en ziet enkele nuances van het doordachte systeem over het hoofd. Het klopt dat de Europese Commissie in de eerste plaats naar lidstaten kijkt. Zonde, en jammer genoeg niet echt een democratische reflex. Op lange termijn kan en moet het dan ook de ambitie zijn dat elke regionale overheid die een bepaalde bevoegdheid heeft, deze bevoegdheid ook op Europees niveau kan verdedigen.

Tot zover de longue durée. De teksten van N-VA zijn in de eerste plaats een model waar we zo snel mogelijk werk van willen maken. België hervormen naar een confederaal model in de komende jaren is moeilijk genoeg. Daar bovenop een volledige hervorming van de EU op tafel leggen, zodat rekening wordt gehouden met belangrijke regio’s, is niet langer ambitieus maar arrogant. De ontwikkelingen op Europees niveau is simpelweg niet iets waar één nationale partij vat op heeft. Daarom lees ik in de teksten van N-VA een zeer correcte opstelling om met haalbare, realistische en pragmatische oplossingen voor de dag te komen, die onmiddellijk een bijdrage kunnen leveren aan het verhogen van onze welvaart.

Concreet betekent dit dat N-VA een ‘confederaal brievenbussysteem’ (punt 416) voorstelt. Alle informatie die van Vlaanderen en Wallonië naar de Europese Commissie moet gaan, en omgekeerd, kan via het brievenbussysteem worden verstuurd.

Stel dat de ‘lidstaat België’ één nationaal actieplan moet opstellen, voor een domein waar respectievelijk Vlaanderen en Wallonië bevoegd zijn. In dat geval stellen beide regio’s een eigen plan op, en versturen ze dit naar het confederale brievenbussysteem. Daar worden beide plannen aan elkaar geplakt, zodat de Commissie over één ‘nationaal’ plan kan beschikken.

Prof. Hooghe gaat niet in op dit systeem, waardoor een foute indruk wordt gewekt van de N-VA plannen als ‘onrealistisch’. Nochtans is het brievenbussysteem een slimme pragmatische oplossing, die we onmiddellijk kunnen invoeren.

Nu, wat dan als er een Europese boete komt vanwege een gebrekkig nationaal plan, en/of een slechte uitvoering van dit plan? Als dit het geval is, geeft de Commissie steeds toelichting bij de exacte redenen voor de boete. Dat is nu reeds de gewoonte. Het zal dus niet moeilijk af te leiden zijn welk deel van het actieplan problematisch is: het Vlaamse of Waalse luik. Beide delen zijn apart opgesteld, en kunnen even makkelijk opnieuw uit elkaar worden gehaald om na te gaan waar de fout zit.

Het klopt dat de Commissie één boete zal opleggen voor België als lidstaat. Het is aan Vlaanderen en Wallonië om af te spreken dat de schuldige volledig betaalt voor een Europese boete. Volgens Hooghe is dit niet geloofwaardig. Zijn voorbeeld: ‘Als de Waalse overheid een fout maakt, zullen ze dat niet willen toegeven, en een patstelling creëren’. Dit is te kort door de bocht, omdat het niet de bedoeling lijkt over dossiers ad hoc te beslissen. Er moet één globaal akkoord komen, waarin duidelijk staat dat elke regio verantwoordelijk is voor het opstellen én naleven van zijn deel van het nationale actieplan. Punt aan de lijn, al de rest volgt uit de simpele uitvoering van een dergelijk akkoord.

Waarom zou Wallonië hiermee niet kunnen instemmen? Het is immers een perfect tweesnijdend zwaard, Wallonië zal door een dergelijk akkoord evenmin moeten bijdragen voor boetes die worden opgelegd door fouten aan Vlaamse kant. Onder andere doordat Vlaanderen dichter bevolkt is, is het vaak moelijker voor Vlaanderen om te voldoen aan richtlijnen en verordeningen, bijvoorbeeld op het vlak van milieunormen. Voor Wallonië zijn duidelijke afspraken over de verantwoordelijkheden minstens even belangrijk als ze dat zijn voor Vlaanderen. En laat dat exact de reden zijn waarom het pragmatische model van N-VA een perfect evenwicht zoekt en vindt tussen de juridische theorie en confederale praktijk.

.

Aug 20

De decadentie van Pukkelpop

 

“Eén festivalganger op de vier laat tent achter op Pukkelpop”

Het doet je afvragen: waarom doe je zoiets? Toegegeven, het opvouwen van de 2”-tentjes duurt al vlug twee minuten, maar dan nog. Er moet een reden zijn voor dergelijke decadentie, die dingen kosten toch geld. De reacties tonen vooral ongerustheid over het ecologische bewustzijn van de jeugd. Correct, ongetwijfeld. Je milieubewust voorstellen is hip, maar ernaar handelen levert weinig sociale bonuspunten op.

Daarmee hebben we uiteraard nog niet verklaard waarom je een bezitting zomaar zou achterlaten. Mijn inschatting is dat een pak jongeren een festival als Pukkelpop gebruiken als uitlaatklep. Niets moet, alles kan. Drie dagen en vier nachten gewoon de beest uithangen, zonder enige aandacht voor fatsoen of respect. Op het einde van het festival laat je dan gewoon alles achter – noem het ‘symbolisch’ als je wil – en ga je terug naar huis. Naar de bezorgde standaard ouders uit de middenklasse. Hoofdstuk afgesloten. Enkel dat festivalbandje aan je pols laat je nog hangen, dat staat wel stoer. Een subtiele herinnering aan de uitspattingen.

Ok, nu hebben we de analyse een stuk verder geschoven. De volgende vraag is dan waarom jongeren nood hebben aan een uitlaatklep. Wie de tickets én een tentje voor het festival kan betalen komt heus niets materieel tekort. Wat wel een oorzaak kan zijn is een constant opboksen tegen het relativisme op alle niveaus in onze samenleving. Er is niets of niemand meer om richting te geven. Wil je iets bereiken? Leer dan ‘jezelf kennen’. Moeilijk te vinden? Geen probleem, dan focus je gewoon alles op ‘zelfontplooiing’. Een term waarmee elke jongere rond de oren wordt geslagen, maar niemand die kan uitleggen wat hiermee nu eigenlijk bedoelt wordt.

Het gevolg is vaak een latente frustratie. Echt voldoening kan zo’n samenleving nooit bieden. Alles is relatief, zelfs een discussie over de richting die we collectief als samenleving wel uit willen gaan wordt niet langer gevoerd. Wat is goed, wat is fout? Dit voor jezelf uitmaken tot daar aan toe, maar vergeet dan niet elke stelling te eindigen met een verontschuldigende ‘maar dat is enkel mijn mening uiteraard’.

Tot nu toe ondergaan jongeren dit patroon zonder al te veel morren. Niet oordelen over anderen, geen echte dialoog aangaan, het zijn ‘waarden’ waarmee deze generatie is grootgebracht, en waarnaar ze doorgaan vrij strikt leven. Maar dan komen die drie dagen per jaar in Kiewit. Alle remmen los, de ruwe gortigheid komt boven. Kan het zijn dat na vier nachten op de festivalweide toch het gevoel bekruipt dat dit nu ook weer niet de bedoeling was? Dat er toch dingen zijn die niet horen? Plots blijkt het relativisme dan toch grenzen te hebben. Van die harde confrontatie zou ik uit schaamte evengoed mijn tent achterlaten. Maar dat slonzige polsbandje, laat dat nog maar even zitten als subtiele herinnering aan dat dubbele gevoel. Niemand die daarover gaat oordelen.

Aug 07

Sekswerker, een taboe?

Lyle Muns, bekend als de (ex-)voorzitter van de scholierenkoepel VSK, was vandaag alom tegenwoordig in de media omdat hij zich ge-out heeft als ‘sekswerker’. Naar eigen zeggen wil hij daarmee het taboe doorbreken. In Ter Zake geeft hij hierover meer toelichting (link).

Dit verhaal kan je op verschillende manieren bekijken: de steeds meer gewrongen verhouding tussen jongeren en seksualiteit; de drang naar consumptie en gemak; de vrijheid-blijheid illusie; etc etc. Stuk voor stuk interessante invalshoeken om een artikel te schrijven over Lyle Muns. Het uitwerken daarvan laat ik met veel plezier over aan meer begaafde cultuurpessimisten.

Eén punt wil ik wel maken. Het lijkt mij dat er wat verwarring bestaat over de betekenis en rol van het taboe in de samenleving. Er is enerzijds de vrije keuze voor prostitutie, die Muns maakt. Anderzijds is er de – algemene? – afkeuring van prostitutie door de gemeenschap. Beide kunnen perfect naast elkaar bestaan. Het staat Muns vrij te kiezen voor prostitutie, het staat mij en anderen vrij dit af te keuren. Maar blijkbaar verwacht Muns niet enkel dat hij vrij een keuze kan maken, hij verwacht ook dat iedereen deze keuze respecteert. Daar knelt het schoentje.

Het taboe heeft een belangrijke maatschappelijke functie. Het stelt grenzen, duwt en trekt om een richting aan te geven. Laten we dat vooral zo houden, dan is er tenminste nog iets waaraan Lyle Muns en anderen zich kunnen vasthouden voor ze verdwalen in een grenzeloos relativisme. Wat vandaag in de eerste plaats is bewezen, is het nut van taboes bij het aflijnen van het publieke debat. Het provocatief flirten met de grenzen, als bevestiging van het bestaan (en nut) ervan. Bedankt daarvoor, Muns.

 

Feb 28

Het Belgische conflictmodel

“Van rel over rel naar het Vlaams staatsbestel”, zo omschreef Theo Francken onlangs de Belgische politiek. Je kan hem geen ongelijk geven, we slepen ons van conflict naar conflict. Daardoor dreigen we het overzicht te verliezen: wat zijn de fundamentele oorzaken die België naar de afgrond duwen?

[Wat volgt is een herwerkte versie van een opiniestuk dat ik in juni 2011 heb geschreven. Zie hier voor het – iets langere – origineel]

 

Het ontbreekt politieke commentatoren vaak aan een internationale reflex. Onze situatie is echt niet zo uniek als we zelf denken, de politieke problemen waarmee we worstelen zijn een mix van unieke Belgische factoren en bredere internationale omwentelingen. Laat ons eerste even een overzicht maken van het ‘binnenlandse perspectief’, gevolgd door het aanduiden van de bredere internationale factoren die we over het hoofd zien.

De beste plaats om te starten is nog steeds ‘Over politiek’, de verzamelde essays van socioloog Luc Huyse. Een beschrijving van wat hij de ‘gewapende vrede’ noemt verdient een uitgebreid citaat:

“Elke confrontatie, hoe bitter ook, liep uit op een compromis maar tegelijkertijd verdween het onderlinge wantrouwen niet. Aan ieder plechtig gesloten pact kleefden talloze uitingen van die achterdocht: vetomacht, alarmbellen, grendelprocedures, rechten op een gegarandeerd aantal mandaten in parastatale instanties, in talloze regeltjes gegoten afspraken over de verdeling van overheidsgeld. […] Het systeem oogde niet mooi, maar het werkte. Het bracht stabiliteit in een land dat op levensbeschouwelijk, sociaal-economisch en communautair vlak die verdeeld was.”

Deze vorm van pacificatiepolitiek kende zijn hoogdagen in de jaren 50 en 60, maar begon daarna langzamerhand af te takelen, met het malgoverno van zeven opeenvolgende regeringen tussen 1977 en 1981 als teken aan de wand. Dit resulteert uiteindelijk in onberekenbaarheid van de burger/kiezer in de jaren 90. Partijtrouw werd zeldzaam in grote delen van de samenleving, zuilen als kanaliserend middenveld hadden afgedaan. Opnieuw is het Luc Huyse die de scherpste observatie levert:

“Wij leven, zeggen nogal wat waarnemers, in het tijdvak van de wisselende, de vlottende vormen. Bewegingen ontstaan rond één enkel thema en verdwijnen met dat thema. Tijdelijke netwerken nemen de plaats in van voor de eeuwigheid bestemde organisaties. Kiezers pendelen tussen partijen. De politieke agenda verandert geregeld van samenstelling. Breuklijnen lijken wel vervangen door ondergronds gerommel dat op onverwachte momenten en plaatsen voor conflicten zorgt.”

Door deze evoluties in de brede samenleving is de consensusdemocratie is al sinds de jaren 70 aan het aftakelen. De enige breuklijn waar pacificatie volgens Huyse opvallend genoeg bleef werken waren de communautaire dossiers. Wat we nu meemaken is hoe die achterhaalde logica van brede compromissen steeds meer vervreemd van de volatiliteit die Huyse in bovenstaand citaat beschrijft.

Zowat elke opinie over het Belgische politieke model is een variatie op het fundamentele denken van Luc Huyse. Daarbij wisselen objectieve vaststellingen van de neergang van het consensusmodel en subjectieve mijmeringen over het herstel van datzelfde model elkaar in sneltempo af. Niemand lijkt in staat met alternatieven te komen. We zitten op de overgang naar een ander systeem, maar moeten ons behelpen met de gekende concepten.

Tot zover de binnenlandse analyse, zoals gezegd moeten we dit aanvullen met een internationale reflex. België is niet uniek wat deze grondige verschuiving betreft. In West-Europa krijgen alle staten te maken met tendensen waarbij de bestaande besluitvormingsprocedure in vraag wordt gesteld. Politicologen hebben het dan vaak over de shift van ‘government’ naar ‘governance’, waarbij het tweede veel flexibeler is, minder gebonden aan grenzen en afgebakende structuren.

In Vlaanderen wordt deze verschuiving tot op zekere hoogte geprojecteerd op de staatshervorming. Het is een thema dat als ultiem symbool van de consensusdemocratie gekend staat, zoals reeds aangehaald een manier van denken die compleet onaangepast is aan “wisselende, informele en vluchtige contacten tussen bevolkingsgroepen, politici en overheid” (dixit Stefaan Walgrave). Met andere woorden een ideale stroman voor de herauten van de ‘nieuwe politiek’.

De West-Europese overheden gaan steeds meer lijken op pure managers, op het eerst zich los van een duidelijke ideologische fundering. Efficiëntie en het leveren van resultaten zijn daarbij de dominante criteria, met de kiezer als wispelturige consument. Pacificatie gaat uit van een diepgeworteld conflict, en botst daardoor met denken in termen van ‘optimalisatie’ en ‘optimal return’. De kloof in de onderhandelingen tussen Vlamingen en Franstaligen wordt paradoxaal nog verder uitgediept door een nieuwe politieke cultuur die geen ruimte laat voor denken in termen van ‘kloven’ en ‘pacificatie’.

Onze problemen kunnen bijgevolg niet los worden gezien van een bredere internationale evolutie naar een nieuw systeem. Bovendien lijkt deze samenloop van omstandigheden sterker aanwezig in Vlaanderen. Misschien is het door een aanzienlijk grotere economische welvaart vatbaarder voor de nieuwe managementcultuur? Hoe het juist komt laat ik in het midden, feit is dat het de situatie er niet gemakkelijker op maakt.

Dat we in België leven met twee democratieën naast elkaar, twee parallelle publieke ruimtes, klopt zeker. Maar het zijn in de eerste plaats internationale omwentelingen waar we geen vat op hebben die de polarisering op de spits drijven. Wie blijft beweren dat de twisten tussen Vlamingen en Franstaligen worden opgestuwd door ‘populisten’ voert een achterhoedegevecht. Vasthouden aan het huidige België komt neer op een krampachtig terugplooien op zichzelf, tegen alle internationale evoluties in. Ironisch, toch?

.

.

Feb 07

Tijd voor een echt economisch beleid

In de Kamer werd vandaag de begroting 2013 gestemd. Opnieuw stelt de regering Di Rupo een begroting voor die geen structurele maatregelen bevat en niet het minste perspectief biedt om dit land vooruit te helpen. Het wordt stilaan vermoeiend om keer op keer aan te halen waar het fout loopt. Tijd om het alternatief nog eens scherp te stellen.

Het Belgische consensusmodel botst op zijn grenzen, fundamentele maatregelen die jongeren vandaag perspectief bieden op een betere toekomst ontbreken. Met steeds kleinere stapjes strompelen we richting afgrond, zo kan het niet verder. Om te kijken hoe het anders en beter kan, brengt The Economist deze week een prachtig stuk over het beleid van de Scandinavische landen. Het zijn stuk voor stuk modellanden die in de jaren 90 zware herstructureringen hebben doorgevoerd om te komen tot waar ze nu staan.

Welke lessen kunnen we hieruit trekken voor ons land? Ik zet enkele prioriteiten op een rijtje. Geen gemorrel in de marge, out of the box denken is de enige manier om een positief toekomstverhaal te brengen.

.

1. Afbouwen van de overheidsschuld

Dit land kampt met een enorme schuldenberg, waarvan de kosten moeten worden gedragen door toekomstige generaties. Dat is een ethisch onhoudbare situatie, steeds opnieuw de rekening doorschuiven creëert een sfeer van laks en onverantwoord overheidsbeleid.

Als we naar Scandinavië kijken, zien we dat dit besef is doorgedrongen:

gdp nordic countries2

Een land als Zweden komt van een schuldgraad van 70% in 1993, en zit nu op 37%. Dit bewijst dat structureel schulden afbouwen kan voor landen die echt willen. Politieke visie en lef, veel meer dan dat is niet nodig.

.

2. Geef de vrije markt kansen

Wie aan Scandinavië denkt, denkt vaak ook aan een grote overheid en sterke sociale zekerheid. Dat beeld klopt voor een deel, maar het is slechts de helft van het verhaal. Naast een degelijke sociale zekerheid, is er ook veel ruimte voor keuzevrijheid en spelen van de vrije markt. Zowel in de zorgsector als in het onderwijs is de privé-sector een normale zaak:

“It [Zweden] has introduced a universal system of school vouchers and invited private schools to compete with public ones. Private companies also vie with each other to provide state-funded health services and care for the elderly.”

We mogen geen dogma’s overeind houden als het over onze zorgsector gaat. Privé-initiatief moet mogelijk zijn, het is de enige manier om op lange termijn de kostprijs betaalbaar te houden.

[terzijde: het idee van de ‘School Vouchers’ komt oorspronkelijk van Milton Friedman, zie hier]

.

3. Een flexibele arbeidsmarkt

We moeten af van ons systeem van ‘jobzekerheid’, enkel ‘werkzekerheid’ kan in de moderne economie de basis vormen van een eerlijk beleid. Arbeiders en bedienden ontslagen moet een pak flexibeler kunnen, maar daar moet een betere begeleiding van werklozen tengenover staan. Wie zijn job verliest, moet snel terug aan werk geholpen worden. Vastklampen aan één bepaalde job je hele leven is niet meer van deze tijd.

Het Deense voorbeeld is hier de leidraad:

“In the workplace Denmark is the pioneer of flexicurity: companies can sack employees with almost American ease but the government provides displaced workers with generous benefits and helps them get new jobs. Most employers like the system because it frees them from one of continental Europe’s biggest problems: a dual labour market divided between heavily protected insiders and casualised outsiders.”

.

4.Innovatie

De overheid moet in de eerste plaats een partner zijn van startende ondernemers, met een logistieke en financiële ondersteuning waar nodig. Onze bureaucratische mallemolen creëert exact het tegendeel. Wie een bedrijf op gang trekt krijgt niet het respect dat hij/zij verdient, de overheid werkt ontmoedigend en geeft het signaal best op vertrouwde paden te blijven. Enkel door risico’s te nemen, enkel door een grote groep mensen die zijn nek durft uitsteken voor een nieuw project, heeft onze economie een toekomst.

In Finland heeft men dit in de praktijk gebracht door de ex-werknemers van het geherstructureerde Nokia aan te moedigen een start-up te beginnen. Het resultaat? Meer dan 300 nieuwe innovatieve ondernemingen die gesticht zijn door voormalige Nokia-werknemers, met steun van een risicofonds waarvoor ook de overheid een bijdrage levert.

.

Zullen deze vier prioriteiten voldoende zijn? Waarschijnlijk niet. Maar het geeft een nieuwe richting aan. Out of the box denken, radicale hervormingen durven doorvoeren om onze economie competitief te maken. Het Scandinavische voorbeeld bewijst dat dit niet ten koste hoeft te gaan van een solidair en sociaal beleid. Als zij dat kunnen, waarom wij dan niet? Het Belgische model van mini-hervormingen heeft gefaald, de huidige generatie jongeren is het aan zichzelf verplicht met betere alternatieven te komen.

.

Oudere berichten «